Uit de Geschiedenis van Roden: Een Sandebuurster in een Jappenkamp.

15 okt. 2020
Hoofdafbeelding
Uit de Geschiedenis van Roden: Een Sandebuurster in een Jappenkamp. Laatste verhaal in een serie van vier. Door: Tjerk Karsijns. Op het landgoed “Ekenstein” in Tjamsweer kwam op 12 juni 1907 Jantje Martha Kuipers ter wereld. Haar ouders waren Kornelis Kuipers en Gerritje Broersma. (zie ook de vorige bijdragen op deze site van juli, augustus en september). Vanuit de zevende klas ging Jantje naar de U.L.O. in Appingedam en het jaar daarop naar de H.B.S. aldaar. Tot haar verdriet moest zij haar studie afbreken om haar moeder in de huishouding en haar vader op de boerderij te gaan helpen. In de avonduren volgde Jantje een opleiding tot verpleegster en zij ging op naailes. Na de verhuizing van het gezin Kuipers naar Sandebuur, in 1927, vertrok Jantje op 11 september 1929 naar Groningen om in de verpleging te gaan werken. Op 22 augustus 1931 keerde zij terug naar huis en trouwde op 26 oktober 1931 in Roden met de in Bellingwolde geboren schoolmeester Hinderikus Derks. Twee dagen na hun huwelijk vertrokken de jonggehuwden met het s.s. “Jan Pieterszoon Coen” naar Batavia, waar Hinderikus was benoemd tot hoofdonderwijzer aan de Europese school te Pati, op Java, Nederlands Indië. Het echtpaar kreeg twee kinderen. In 1937 kreeg Hinderikus, na een dienstverband van zes jaar, verlof en kwam het gezin voor enkele maanden naar Nederland. In 1938 keerden zij terug naar Indië. Vanwege de oorlogsdreiging vertrok het gezin op 14 oktober 1940 van Balikpapan (Borneo) naar Makassar, Celebes. Daar werd Hinderikus op 9 december 1941, enkele dagen na “Pearl Harbor” opgeroepen voor militaire dienst. Een ongewisse tijd volgde. Op 20 januari 1942 werden Hinderikus, Jantje en de kinderen vanwege de dreiging van een Japanse invasie geëvacueerd naar een plaatsje 70 kilometer ten Noorden van Makassar. Op 8 februari, na een eerste gevechtscontact, trokken ze het binnenland in. De Japanse overmacht bleek uiteindelijk te groot en begin maart 1942 volgde de capitulatie. Midden oktober werden Jantje en de kinderen geïnterneerd en ondergebracht in “huize Dekkers”, een woning in Malino, Celebes, gelegen in een voormalig vakantieoord in de bergen. Het was als kamp ingericht voor vrouwen en kinderen. Van eind december 1942 tot eind maart 1943 was een dependance van het Malino-kamp gevestigd in het zuidelijker gelegen Lombasang. In mei 1943 werden de vrouwen en kinderen overgebracht naar een vervallen sanatorium in Kampili. Gelukkig was dit één van de minst slechte kampen. Vooral voor de kinderen was de kampbeheerder goed. Op grond van een voorheen in een mannenkamp beklede functie werd hij na de oorlog ter dood veroordeeld. De vrouwen van Kampilikamp wisten zijn executie te voorkomen. Jantjes echtgenoot Hinderikus werd op transport gesteld naar Nagasaki, in Japan, en kwam terecht in kamp Fukuoka 2 B. Een kleine drie jaar werkte hij op de Mitsubishi scheepswerf en had alle geluk dat, toen de atoomboom op 9 augustus op Nagasaki viel, hij enkele weken daarvoor tewerkgesteld was in een kolenmijn, niet ver van de gebombardeerde stad. Na de overgave van Japan werd het gezin in Makassar herenigd. De oorlog had zijn sporen nagelaten. Hinderikus was slecht behandeld en had zo’n dertig kilo aan gewicht verloren. Eind maart 1947 kwam eerst Jantje met haar dochter en zoon terug naar Nederland. Hinderikus volgde later. Hij kreeg een baan als onderwijzer in Almelo en nadien werd hij hoofd van een lagere school in Zeist. Foto: Indonesië, Zuid-Celebes. Blauwe pijl: In die omgeving lagen de kampen Malino, Lombasangen Kampili.

Deel deze pagina