Albert en Femmie Gelling: van dansvloer tot diamanten huwelijk
Er zijn liefdesverhalen die beginnen met een blik. Dit verhaal begon met muziek. Met danspassen. Met een zaterdagavond in De Postwagen in Tolbert, waar de vloer vol stond en de toekomst zich nog moest aandienen. Terwijl de voetjes van de vloer gingen, sprong de vonk over tussen een jongen uit Nieuw-Roden en een meisje uit Tolbert.
Zestig jaar later staan Albert en Femmie Gelling-Pater nog altijd naast elkaar. Diamant. Een huwelijk dat begon in Nieuw-Roden, tegenover de plek waar zij vandaag opnieuw wonen. Een straat die hen zag vertrekken naar Roden Kastanjelaan, Stinsenweg en die hen later weer zag terugkeren, toen nieuwbouw de oude herinneringen een frisse jas gaf.
Maandagmorgen kwam wethouder Jos Darwinkel langs namens de gemeente Noordenveld. Bloemen in de hand, felicitaties in woorden. Een moment van stilstand bij een leven dat altijd in beweging is geweest.
Albert, geboren in Roderwolde, bouwde samen met zijn broer een supermarkt op in Nieuw-Roden. Later volgde Haulerwijk, waar hij bedrijfsleider werd. Bestuurlijk werk lag hem evenmin vreemd; in Peize was hij actief binnen een groothandel. Nog altijd is hij betrokken bij Gemeentebelangen. Femmie, geboren in Tolbert, werkte vóór haar huwelijk in de zorg in Deventer. Daarna werd de winkel hun gezamenlijke domein.
Maar het leven speelde zich niet alleen af tussen schappen en vergadertafels. Er was de camping in Akkrum. De caravan. Het bootje aan het water. Femmie met een hengel, rustig turend over het Friese landschap. Fietsen door de omgeving, zodra het weer het toeliet. Samen op pad, zoals ze dat al deden sinds die eerste dans.
Twee kinderen, vier kleinkinderen en inmiddels een achterkleinkind kwamen samen om het diamanten huwelijk te vieren. In april keert het verhaal terug naar waar het begon: De Postwagen. Daar wordt opnieuw gedanst. Misschien iets rustiger. Maar met dezelfde glimlach.
Want sommige liefdes hebben geen grote woorden nodig. Alleen tijd. En zestig jaar is dan slechts het bewijs.
Credits Roel Lubbers